Home » Eekev – Vreze Gods

Eekev – Vreze Gods

Vreze G-ds

Eekev (Devarim 7:12-11:25)

 

Door Rabbi Yehonasan Gefen

“U zult HaShem, uw God, vrezen.”[1]

De mitswa om God te vrezen is een van de meest fundamentele mitswot in de Tora en is een van de ‘shesh mitswot temidiut’, de zes constante mitswot die men op elk moment moet vervullen.[2] Deze mitswa lijkt in tegenspraak te zijn met één van de andere constante mitswot, Ahavat HaShem,  de mitswa om God lief te hebben – die leert ons dat God alles geeft en liefheeft. Als dat het geval is, hoe kan dan van ons worden verwacht dat we Hem vrezen; mensen vrezen over het algemeen voor dingen of wezens die niet het beste met ze voor hebben. De commentaren leggen uit dat de vrees die vereist is in de mitswa van yirat HaShem niet gelijk kan worden gesteld aan vrees voor iets dat ons kwaad probeert te doen, maar op het meest basale niveau bestaat het uit vrees voor de gevolgen van onze acties. Yirat Hashem leert ons dat God geen vatran is – een vatran is iemand die mensen vergeeft voor hun misdaden, zelfs als ze hun gedrag niet hebben gecorrigeerd. God handelt niet op deze wijze, maar Hij heeft een systeem in de wereld geplaatst waarbij als een iemand een geestelijk negatieve handeling begaat, hij als gevolg daarvan geestelijk beschadigd zal worden.

De Wijzen gaan hier verder op in door uit te leggen waar we precies wel en niet bevreesd voor moeten zijn: De Gemara in Berachot merkt een schijnbare tegenstrijdigheid op over vrees tussen verzen in de boeken van de profeten.[3] Koning Salomo schrijft in Spreuken; “gelukkig is de man die constant bevreesd is.”[4] Daarentegen zegt de profeet Jesaja; “zij uit Sion die bevreesd zijn, zijn zondaars.”[5] De Gemara legt uit dat het vers in Spreuken verwijst naar ‘divrei Torah’. Rav Yitzchak Berkovits legt uit dat ‘divrei Torah’ kan worden opgevat als verwijzend naar spirituele zaken. We hebben alleen controle over onze vrije wil in spirituele bezigheden – dus vertelt de Gemara ons dat het juist is om bevreesd te zijn voor je eigen falen in het spirituele rijk, omdat we er controle over hebben en het vermogen hebben om te wankelen. Op alle andere gebieden weten we echter dat God de volledige controle heeft en aangezien Hij Algevend en Almachtig is, is het dwaas en verkeerd om bang te zijn dat er ‘slechte dingen’ met ons zullen gebeuren – wanneer Hashem de controle heeft, is er niets wat echt ‘slecht’ is wat kan gebeuren, zo lijkt het wellicht op dat moment, maar we weten dat er uiteindelijk niets is om bang voor te zijn als God de zaken leidt. Het enige waar we bang voor moeten te zijn, is onszelf en de schade die we onszelf kunnen aandoen.

Een andere Gemara laat verder zien hoe belangrijk het is om de gevolgen van onze daden te vrezen: De Gemara in Gittin vertelt het verhaal van Kamtza en Bar Kamtza en hoe de ongegronde haat in dat verhaal de keten van gebeurtenissen veroorzaakte die eindigde met de tragische vernietiging van de Tempel . Als inleiding op deze tragische episode citeert de Gemara het eerder genoemde vers in Spreuken dat de deugden van vrees verheerlijkt. [6] Hoe is het idee van vrees verbonden met de gebeurtenissen in de Kamtza en Bar Kamtza-episode? Tosefot legt uit dat de mensen die in het verhaal hebben gezondigd, banger hadden moeten zijn voor de gevolgen van hun daden, zoals het toestaan ​​dat Bar Kamtza in het openbaar in verlegenheid werd gebracht zonder tussenkomst. Als ze waakzamer waren geweest over de resultaten van hun daden, zouden ze hebben beseft dat ze anders moesten handelen. We zien vanaf hier de betekenis van het vrezen van onszelf – het was hun gebrek aan zulke vrees dat de tragische fouten zich konden ontvouwen.

Deze Gemara’s leren ons dat wanneer we in een situatie een vrije wil hebben, we bevreesd moeten zijn om niet te struikelen, maar als er niets aan gedaan kan worden, dan is het verkeerd om bevreesd te zijn en moeten we ons vertrouwen op God stellen. De Brisker Rav, Rav Yitzchak Zev Solovetichik, stond bekend om zijn vrees om de mitswot niet goed uit te voeren, maar tegelijkertijd bleef hij opmerkelijk kalm als hij niets kon doen. Rav Shlomo Lorincz vertelt dat tijdens de belegering van Jeruzalem in de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog de Brisker Rav erg kalm bleef, zelfs terwijl de stad werd gebombardeerd met granaten. Maar toen de beschietingen ophielden, raakte hij onmiddellijk zeer opgewonden van bevreesdheid voor degenen die ver weg waren. Op de vraag om het contrast in zijn gedrag uit te leggen, antwoordde hij dat toen de granaten in de buurt vielen, hij zich in de positie van iemand bevond die in een situatie verkeerde waarover hij geen controle had –  en dus bevrijd was van elke verplichting om anderen te helpen. Omdat hij geen verantwoordelijkheid had, had hij geen spanning. Maar toen zijn buurt niet werd beschoten, kon hij niet stoppen met nadenken over wat hij zou kunnen doen voor degenen die in gevaar waren, en de zaak gaf hem geen rust.[7] De Brisker Rav was afgestemd op de geschikte tijden om bevreesd en kalm te zijn, als hij niets kon doen, was hij heel kalm, maar terwijl er een verantwoordelijkheid op hem rustte, wilde hij niet ontspannen.

Deze les is zeer relevant als we Elul naderen. In deze tijd van het jaar beoordelen we ons leven en ons gedrag – een belangrijk aspect daarvan is om te erkennen dat we de grote gave van vrije wil hebben, maar dat gaat gepaard met het feit dat we niet op God kunnen vertrouwen om ons te dwingen om de juiste beslissingen te nemen. Onze controle over onze handelingen is de oorzaak van grote vrees – het betekent dat we de kansen die God ons geeft kunnen negeren, onze talenten kunnen misbruiken en er in het algemeen niet in slagen om ons potentieel in het leven te vervullen. Maar als we ons bewust worden van ons potentieel om de juiste beslissingen te nemen en het langzame pad omhoog beginnen in onze Dienst aan God, dan hebben we niets te vrezen.

Besef dat een vertaling altijd een vertaling is, daarom ook de verwijzing naar het origineel: The Guiding Light Parshat Ekev: Fear of God (aish.com)

Opmerkingen van Angelique; wat leren wij hiervan?

Een prachtige les. Eerst denken dan doen, zeg ik altijd tegen de kinderen in de klas als ze weer eens iets onhandigs doen. Maar hetzelfde geldt voor ons volwassenen. Hoe vaak doen we niet iets, of zeggen we niet iets waarvan we later denken, dat had anders gekund, anders gemoeten. Terwijl we eigenlijk best weten hoe we hadden moeten handelen of wat we hadden moeten zeggen, of misschien juist niet moeten zeggen. Handelen we dan met opzet verkeerd? Nee we denken van te voren gewoon niet goed genoeg na over de gevolgen ervan. We reageren vanuit een eerste opwelling, we reageren primair, terwijl we moeten leren secundair te reageren. “Vrees G-d” zie ik dan persoonlijk ook vooral als vrees voor je eigen gedrag als je voor de Eeuwige Ene komt en je weet dat je je zult schamen, dat je je ogen neer zult slaan. Het vrezen heeft niet met de angst voor straf te maken – hoewel we lezen dat handelingen gevolgen hebben – maar met de schaamte.


[1] Eikev, 10:20.

[2] Sefer HaChinuch, Mitsvo 431, Er wordt veel gediscussieerd over de vraag hoe wij voortdurend meerdere Mitsvot tegelijk kunnen vervullen.

[3] Brachos, 60a.

[4] Mishlei, 28:14.

[5] Yeshaya, 33:14.

[6] Gittin, 55b.

[7] Lorincz, In Their Shadow (B’Mechistatam),. Blz. 167.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *