Home » Toledot – De bron van zegen

Toledot – De bron van zegen

De bron van zegen

Toledot (Genesis 25:19-28:9)

 

Door Rabbi Yehonasan Gefen

Wanneer hongersnood het land Israël treft, is Isaac van plan naar Egypte te gaan. God instrueert hem echter om in Israël te blijven en naar het land van de Filistijnen te gaan – God verzekert hem van grote zegen: “Ik zal uw nakomelingen doen toenemen als de sterren van de hemel; en Ik zal al dit land aan uw nakomelingen geven; en alle volken van de aarde zullen zichzelf zegenen door jullie nakomelingen. Omdat Abraham Mijn stem gehoorzaamde en Mijn waarborgen (Mishmarti),Mijn Geboden, Mijn decreten en Mijn Tora’s in acht nam.’[1]

De commentaren verschillen over de betekenis van het woord, ‘mishmarti‘ in de beschrijving in de Tora van Abrahams gerechtigheid. De Seforno biedt een nieuwe interpretatie van ‘Mishmarti‘. Hij schrijft dat dit verwijst naar de eigenschap ‘die voor mij bewaakt (mishmeret)’,namelijk die van chesed (vriendelijkheid), dus God prijst Abraham omdat hij zo bedreven is in het nabootsen van Gods eigen eigenschap van chesed. Het hele fundament van Gods schepping is chesed, en Abraham emuleerde deze eigenschap door de grootst mogelijke chesed te doen om zo anderen de kans te geven om dicht bij God te komen.

De Seforno gaat in hetzelfde gedeelte verder met het behandelen van een zeer moeilijk probleem met dit vers: Bij twee gelegenheden in dit gedeelte zegent God Isaak, maar alleen in de verdienste van Abraham. De eerste is het bovenstaande vers en het tweede is na Isaacs strijd met de Filistijnen; “… Ik zal u zegenen en uw nageslacht vermeerderen vanwege Abraham, mijn dienaar.[2] De Seforno contrasteert dit met zowel Abraham als Jakob die altijd gezegend werden om hun eigen verdienste en niet om die van hun vaderen. Hij legt uit dat Abraham en Jacob beiden al vroeg in hun leven betrokken waren bij het onderwijzen van anderen. Abrahams heldendaden zijn bekend en Seforno schrijft met zekerheid dat Jakob mensen onderwees die tot de Yeshivas van Shem en Ever kwamen.[3] Dienovereenkomstig werden ze hun hele leven gezegend om hun eigen verdienste. Daarentegen riep Isaak, tot op dat punt, niet op in de naam van God en verdiende hij het daarom niet om gezegend te worden om zijn eigen verdienste. Hij wordt pas gezegend om zijn eigen verdienste nadat hij zijn vader navolgt en de naam van God aanroept: “Hij bouwde daar een altaar en riep in de naam van God.”[4] Kort daarna benadert Avimelech hem om vrede te sluiten en eindigt door hem de “Gezegende van Hashem” te noemen.[5] Het is op dit punt, schrijft de Seforno, dat Isaak gezegend wordt om zijn eigen verdienste.

Rav Yosef Shalom Elyashiv geeft commentaar op de implicatie van deze Seforno. Isaak was een van de drie patriarchen, en die bereid was zijn leven op te geven voor God in de Akeida en hij was zo heilig dat hij Israël nooit kon verlaten. Toch schrijft de Tora over hem alsof hij geen verdienste heeft totdat hij in de naam van God roept! Rav Elyashiv schrijft; “We zien van hieruit de ongelooflijke verdienste en beloning die men ontvangt voor het verspreiden van bewustzijn van God onder de mensen.”[6]

Maar we moeten nog steeds uitzoeken waarom nu juist Isaacs grote gerechtigheid onvoldoende was om hem het recht te geven om gezegend te worden om zijn eigen verdienste totdat hij Gods naam verspreidde. Rav Chaim Volozhin schrijft dat ‘bracha‘ ribui (overvloed) betekent. Het doel van bracha is dus om een toename of voortzetting van iets te veroorzaken. Op basis hiervan legt mijn Rebbe, Rav Yitzchak Berkovits, uit dat een persoon het alleen waard is om de bracha van overvloed te ontvangen als hij zelf bijdraagt aan het veroorzaken van overvloed en continuïteit in de wereld door anderen de Derech Hashem te laten volgen. Dienovereenkomstig, ondanks al zijn grote daden, ontving Isaak alleen zegen om zijn eigen verdienste toen hij zelf bijdroeg aan de toename van mensen die de Derech Hashemzouden volgen.

De vraag blijft waarom Isaac tot nu toe niet in de naam van God riep. Rav Elyashiv suggereert dat de verklaring hiervoor is dat, aangezien zijn vader al bewustzijn van God had verspreid, hij dit niet hoefde te doen. Rav Elyashiv wijst er echter op dat we de grote beloning zien die Isaac daarvoor kreeg, ook al had zijn vader dat al gedaan.

We leren van hieruit een les die vandaag de dag zeer relevant is in de wereld – dat het feit dat er mensen zijn die tijd en moeite besteden aan het verspreiden van Tora niet iedereen vrijstelt van het ook daartoe bijdragen in een of andere vorm. Een persoon kan beweren dat, aangezien er al mensen bij betrokken zijn, het niet nodig is dat hij dit doet. Er zijn twee problemen met dit argument: Ten eerste zien we uit de Seforno dat een persoon betrokken moet zijn bij het dichtbij brengen van God voor anderen voor zijn eigen voordeel en om bracha waardig te zijn. Ten tweede zijn er ontzettend weinig mensen betrokken bij elke vorm van outreach (inclusief part-time outreach, zoals een paar uur per week leren met een beginner of seculiere mensen uitnodigen voor Shabbat) in vergelijking met het aantal seculiere Joden dat het Jodendom in miljoenen verlaat.[7] De enige manier om het tij te keren is als elke Jood het op zich neemt om wat tijd aan Kiruv te besteden.

Grote Tora-geleerden hebben altijd elke gelegenheid aangegrepen om Abrahams inspanningen na te bootsen om mensen dicht bij God te brengen. Rav Mendel Kaplan deed grote moeite om bevriend te raken met seculiere Joden, wanneer hij ze tegenkwam, en om ze te onderwijzen. Zijn bereik strekte zich zelfs uit tot kinderen. Een niet-religieuze secretaresse in de yeshivah nam ooit haar negenjarige zoon mee naar haar werk. Toen Reb Mendel de kleine jongen in de hal zag spelen, riep hij hem bij zich, wees naar een Chumash en vroeg: “Weet je wat dit is?” “Tuurlijk” antwoordde de jongen, “het is een Bijbel.” “Nee,” antwoordde Reb Mendel, “dit is een Chumash.” Hij zette twee stoelen bij elkaar en zat een uur bij de jongen en leerde hem Chumash op een niveau dat het kind kon begrijpen en waarderen. Later die dag vroeg iemand hem waarom hij zoveel van zijn kostbare tijd had besteed aan een negenjarige jongen. Reb Mendel antwoordde: “Ik hoop dat ik een zaadje heb geplant dat jaren later zal gaan groeien.”[8] We kunnen denken, dat we geen positief effect kunnen hebben op niet-aangesloten Joden, maar men kan nooit weten welke zaden hij plant die vele jaren later op een schijnbaar niet gerelateerde manier kunnen bloeien. Rav Kaplan was een grote Tora-geleerde die grote hoogten bereikte in zijn eigen Tora-leerproces en algemene rechtschapenheid. Hij erkende echter dat dit hem niet ontsloeg van zijn verantwoordelijkheid om te zoeken naar mogelijkheden om ‘de naam HaShem aan te roepen’.

We leren van de Seforno dat zelfs een rechtschapen persoon geen bracha waardig is, tenzij hij Gods bewustzijn in de wereld verspreidt. Rav Elyashiv leert ons verder dat er geen geldigheid is voor het argument dat anderen dat al doen. Mogen we allemaal onze rol spelen in het roepen van de naam van God.

OPMERKINGEN

Door Rabbijn Yehonasan Gefen

Besef dat een vertaling altijd een vertaling is, daarom ook de verwijzing naar het origineel: The Guiding Light Parshat Toldot: The Source of Blessing (aish.com)

Opmerkingen van Angelique; wat leren wij hiervan?

Een belangrijke boodschap ook, of misschien juist voor, Noachiden. We mogen leren van het Joodse volk hoe we de 7 Noachidische Geboden het beste kunnen naleven, en deze boodschap moeten we overbrengen naar de rest van de mensheid. De een zal zich meer geroepen voelen om heel actief hiermee bezig te zijn een ander zal zich wellicht wat onzeker voelen en weer een ander zal het misschien liever aan anderen overlaten. Maar voor een ieder geldt al is het nog maar zo’n kleine oproep om de Naam van de Eeuwige bekend te maken, doe iets. De duisternis is groot maar hoe klein het lichtje ook is, de duisternis wordt er gelijk door verdreven.

Ik vond dit stuk ook heel bemoedigend. Want het is ontmoedigend wanneer je met mensen – Joden en niet-Joden gelijk – spreekt en ze wijzen de woorden af en komen niet tot de erkenning van HaShem, dat je erop mag hopen, erop mag vertrouwen dat de woorden als zaad in het hart van de persoon zal neerdalen en uiteindelijk tot bloei zal komen. Dus ook al lijken onze woorden, onze daden tot niets te leiden…we moeten daardoor niet ontmoedigd raken maar gewoon door gaan en ons bemoedigen met de gedachte dat onze woorden, onze daden het hart van de mensen weet te bereiken.


[1] Toldos, 26:4-5.

[2]  Toldos, 26:24.

[3]  De Ramban daarentegen schrijft dat Yaakov zijn verplichting vervulde om het woord van God door zijn zonen te verspreiden.

[4] Toldos, 26:25.

[5] Toldos, 26:29.

[6]  Divrei Aggada, blz. 74-75

[7]  Hier is een kleine indicatie van de aantallen die betrokken zijn bij deze spirituele Holocaust: Het gemengde-huwelijks percentage in de VS in 1950 was 6%, in 1990 was het 52% en steeg. 2 miljoen Joden van Joodse afkomst identificeren zich niet als Joden. 2 miljoen zelf geïdentificeerde Joden hebben geen enkele Joodse connectie. Voor elke bruiloft tussen twee Joden vinden twee huwelijken plaats. 625.000 Amerikaanse Joden beoefenen nu andere religies. 11% van de Amerikaanse Joden gaat naar shul#. Elke dag vinden er tientallen gemengde-huwelijken plaats, wat betekent dat in de tijd die je nodig had om dit te lezen, sommige Joden voor altijd verloren waren. Opgemerkt moet worden dat deze enquête 18 jaar geleden was en dat het aantal betrokkenen nu aanzienlijk groter is.

[8] ‘Reb Mendel en zijn wijsheid’, p. 258.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *