Home » Ki Tisa – De straf om het Gouden Kalf.

Ki Tisa – De straf om het Gouden Kalf.

De straf om het Gouden Kalf.

Ki Tisa (Exodus 30:11_34:35)

Door Rabbi Yehonasan Gefen

De zonde van het Gouden Kalf is een van de moeilijkste episodes in de Tora. Er is veel discussie over hoe de grote generatie die in de woestijn leefde zo’n vreselijke zonde kon begaan zo kort na het geven van de Tora. Een minder vaak besproken aspect van dit vreselijke incident is de manier waarop God het Joodse volk strafte voor de zonde. Onmiddellijk daarna zegt God tegen Mozes: “Zie, Mijn Engel zal voor u gaan…”[1] Rashi legt uit dat dit een straf is; want tot die tijd leidde G-d Zelf het Joodse volk door de woestijn, maar vanaf nu zou alleen een engel hen leiden.

De Rabbijnen leren ons dat God maat-voor-maat straft, wat betekent dat de aard van de straf ons kan helpen de aard van de zonde te begrijpen. Wat was de maat-voor- maat straf voor de zonde van het Gouden Kalf?

Om dit te begrijpen moeten we eerst kort bespreken hoe het Joodse volk een zonde kon begaan die op afgodendienst lijkt. De commentaren leggen uit dat ze niet van plan waren om een afgod te aanbidden, maar dat ze wilden dat het kalf een tussenpersoon zou zijn tussen henzelf en God. Toen zij dachten dat Mozes gestorven was, raakten zij in paniek; ze geloofden dat ze geen directe relatie met God konden hebben, maar dat ze een tussenpersoon nodig hadden om namens hen met Hem te communiceren. Dit was geen ontkenning van God, het was eerder een verkeerd geloof dat er een soort wezen nodig was om hen voor Hem te vertegenwoordigen en Zijn leringen en weldadigheid aan hen over te brengen.[2]

Met deze uitleg kunnen we nu de oorzaak van het Gouden Kalf begrijpen. Het Joodse volk kwam tot het geloof dat ze een tussenpersoon nodig hadden omdat ze op een subtiel niveau geen directe relatie met God wensten. Het was niet de eerste keer dat dit falen zichtbaar werd; bij het geven van de Tora, nadat God rechtstreeks tot de mensen had gesproken voor de eerste twee mitswot, vroegen ze dat God niet langer rechtstreeks met hen communiceerde. Integendeel, Hij zou aan Mozes moeten communiceren en Mozes zou moeten doorgeven wat God tegen hen zei. In Parshas Va’eschanan berispte Mozes hen voor dit schijnbaar onschuldige verzoek. Rashi vertelt ons dat Mozes tegen hen zei: “Ik was gekwetst en teleurgesteld door jullie. Hij riep uit; was het niet beter voor u geweest om rechtstreeks uit Gods mond te leren dan van mij te leren?!”[3]

Het was deze onderliggende angst voor een directe relatie met God die verantwoordelijk was voor de verschrikkelijke gang van zaken die culmineerde in het Gouden Kalf. De maatregel voor het afstraffen hiervan was dat er nu een intermediaire engel zou zijn die hen zou leiden in plaats van dat ze onder directe leiding van God Zelf zouden staan.

Later in de parasja zien we een schril contrast hiermee in de houding van Mozes zelf. Nadat hij met succes had gepleit voor God om het Joodse volk te sparen, zag Mosjé dat het een tijd was waarin zijn woorden werden ontvangen. Op dit moment had hij de gelegenheid om elk verzoek aan God te doen. Wat wilde hij vragen? “Toon mij alstublieft Uw Glorie.”[4] Hij vroeg om het vermogen om God op een hoger niveau waar te nemen dan zelfs hij ooit had ervaren: Mozes primaire doel was om meer bewustzijn van en nabijheid tot God te krijgen.

De gebeurtenissen in de Tora zijn er niet alleen om interessante lectuur te bieden – zowel de positieve als negatieve acties van de mensen in de Tora geven ons lessen over ons eigen leven. Op een subtiel niveau ontbrak het de generatie van de woestijn aan hun verlangen naar een directe relatie met God en als gevolg daarvan werden ze te afhankelijk van tussenpersonen. Hoe beïnvloedt deze fout ons? Soms kunnen we zo betrokken zijn bij onze routinematige dienst aan God dat we God Zelf kunnen vergeten. Net als de generatie van de woestijn die te veel gericht is op tussenpersonen, kunnen we soms ‘door de bomen het bos missen’ en zo gefocust zijn op de middelen waarmee we dicht bij God moeten komen, maar vergeten we dat het slechts middelen zijn en geen doel op zich.

Vooraanstaande Rabbijnen van vorige generaties spraken uitgebreid over deze kwestie en de noodzaak om tijd vrij te maken om zich te concentreren op het ontwikkelen van vrees voor God. Ze benadrukten de noodzaak om vóór het leren een korte tijd te besteden aan het overdenken van God, zodat het leren met de juiste instelling zou worden doordrenkt. Hij schreef zelfs dat een persoon midden in zijn leerproces kan stoppen en over God kan nadenken, “voordat het bewustzijn van God in zijn hart zal worden uitgedoofd.”[5]

Het is ook mogelijk om het uitvoeren van mitswot als het ultieme doel te plaatsen in plaats van nabijheid tot God. Natuurlijk moet men ernaar streven om de mitswot zo goed mogelijk na te leven en er is geen manier om echt dicht bij God te komen zonder ze te houden. Het Jodendom gelooft niet dat de meditatie en contemplatie alleen voldoende is – het Jodendom is een waardesysteem dat zowel acties als geloof benadrukt. Toch moet men oppassen dat hij de geboden niet uitvoert met weinig of geen gedachte aan God en denkt dat hij de mitswa tot een bevredigend niveau heeft vervuld. In dit verband is het relevant om de woorden van de Ramban (Nachmanides) in parasja Bo te onthouden: “Het doel van alle mitswot is dat we in onze God geloven en dat we erkennen dat Hij onze God is, en dat dat het doel van de schepping is, omdat er geen andere reden voor de schepping is, en het enige dat God van ons wil is dat we weten en erkennen dat Hij ons heeft geschapen.”[6]

Er zijn een aantal eenvoudige manieren waarop we de valkuil kunnen vermijden om te vergeten dat het doel van al onze geestelijke dienstbaarheid is om onze relatie met God te ontwikkelen. Het meest voor de hand liggend is om boeken te bestuderen die onderwerpen als Emuna (geloof), bitachon (vertrouwen) of gebed bespreken. Op een meer praktisch niveau schrijft Rav Dov Brezak Shlita dat hij een van de leidende rabbijnen vroeg hoe men kon werken aan het meer bewust worden van God. Zijn eenvoudige antwoord was dat we moeten bidden voor alles wat we willen – zelfs voor alledaagse zaken, dingen die misschien van geen spirituele betekenis zijn. Als we bijvoorbeeld op een bus wachten en willen dat deze eerder komt, moeten we God vragen om het te laten gebeuren. Deze oefening kan ons helpen een constant bewustzijn te ontwikkelen dat God met ons is. Als we zo’n bewustzijn bezitten, dan is de kans veel groter dat we God gedenken tijdens spirituele bezigheden zoals het leren van de Tora.[7]

Er zijn tal van lessen te trekken uit het incident van het Gouden Kalf. Een van de belangrijkste is om te onthouden dat we het vermogen hebben om een directe relatie met God te hebben en dat al het andere ondergeschikt is aan dit doel.

Rabbijn Yehonasan Gefen

Besef dat een vertaling altijd een vertaling is, daarom ook de verwijzing naar het origineel: The Guiding Light Parshat Ki Tisa: The Punishment Due To the Golden Calf (aish.com)

Opmerkingen van Angelique; wat leren wij hiervan?

Inmiddels al weer meer dan een jaar bezig met het mogen vertalen van deze mooie leerzame lessen van Rabbijn Gefen. Deze had ik vorig jaar overgeslagen, om de een of andere reden voelde ze niet goed. Dit jaar ging ik ze wel vertalen. De tekst kwam precies op een moment waar ik het even moeilijk had. En het had alles te maken met mijn persoonlijke relatie met G-d. Zou ik die relatie willen houden, versterken als dat het enige zou zijn wat ik zou hebben. Dus niet omdat er iets tussen G-d en mij zou instaan. In de zin van: de goede dingen die Hij in dit leven geeft, of de goede dingen die je mag ontvangen in het leven hierna, of het zien van je geliefden in het leven hierna. Wat als dit alles er niet zou zijn. Er niets tussen G-d en mij zou staan. Puur de relatie om de relatie om het contact…het was een vraag waar ik even mee worstelde…maar die een uiteindelijk “ja” als antwoord had. Die middag kreeg ik een prachtige persoonlijke tekst en avonds dus deze tekst om te vertalen.  Bijzonder om te ervaren hoe een keuze van vorige jaar om de tekst niet te vertalen, maakte dat deze tekst nu juist vandaag op mijn pad kwam.


[1] Ki Sisa, 32:34.

[2] Zie Artscroll Chumash, p.493.

[3] Rashi, Va’eschanan, 5:24.

[4] Ki Sisa, 33:18.

[5] Nefesh HaChaim, Shaar 4, Perek 7.

[6] Ramban, Bo, 13:16.

[7] Chinuch in Turbulente Tijden, p.167.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *