Home » Pekudei – de waarde van de Tabernakel

Pekudei – de waarde van de Tabernakel

De waarde van de Tabernakel

(Exodus 38:21-40:38)

 

 

Door Rabbi Yehonasan Gefen

“Dit zijn de befrekeningen van de Tabernakel, de Tabernakel van getuigenis, die op bevel van Mozes werden berekend. De arbeid van de Levieten stond onder het gezag van Itamar, zoon van Aäron de Priester. Betzalel, zoon van Uri, zoon van Hur, van de stam Juda, deed alles wat God Mozes gebood.”[1]

Het Tora-gedeelte begint met een korte beschrijving van de Misjkan (Tabernakel) en de mensen die betrokken waren bij de bouw en dienst ervan. De Seforno schrijft dat de Tora ons met deze inleiding een belangrijk punt leert. De Misjkan en zijn toebehoren werden nooit vernietigd, gevangengenomen of ontheiligd. Beide Tempels daarentegen waren onderhevig aan ontheiliging en vernietiging. De Seforno legt uit dat de eerste twee verzen in deze Parasha vier redenen geven voor de verheven aard van de Misjkan. De eerste is in de woorden; “‘de Tabernakel van getuigenis”. Dit, legt de Seforno uit, verwijst naar de twee Tafelen die Mozes ontving op de berg Sinaï.[2] Deze zijn indicatief voor de ongelooflijke spiritualiteit die in de Tabernakel woonde. Het vers gaat verder; “die op bevel van Mozes werden berekend.”

Omdat Mozes de bouw van de Misjkan regelde, profiteerde het van zijn persoonlijke majesteit. Het derde aspect dat bijdroeg aan de heiligheid van de Misjkan was dat “de arbeid van de Levieten onder het gezag van Itamar stond”. Itamar was ook een man van groot postuur. En ten slotte informeert het tweede vers ons dat Betzalel, ook een groot man, met een grote afstamming, de Misjkan bouwde.

De Seforno vergelijkt dit vervolgens met de mensen die betrokken zijn bij de bouw van de Tempels. De eerste Tempel werd geregeld door de rechtvaardige koning Salomo, maar de arbeiders waren niet-Joden uit Tsur. Omdat de Tempel niet door rechtvaardige mensen werd gebouwd, was hij onderhevig aan corrosie en moest daarom worden onderhouden, in tegenstelling tot de Tabernakel. Bovendien viel het vanwege zijn lagere niveau van heiligheid uiteindelijk in de handen van onze vijanden en werd het vernietigd. De tweede Tempel was van een nog lager niveau van heiligheid; de Tabletten waren er niet en deze werd bewerkstelligt door Cyrus, de Perzische koning. Dienovereenkomstig viel ook deze in handen van onze vijanden en werd het vernietigd.

Drie verzen later vertelt de Tora ons de totale waarde van alle sieraden die werden gegeven voor de bouw van de Tabernakel. De Seforno merkt over dit vers, die voortbordurend op zijn thema uit de eerdere verzen, op dat de totale materiële waarde van de Tabernakel veel minder was dan die van beide Tempels, die beide ongelooflijk mooie en dure gebouwen waren. En toch, in tegenstelling tot de Tempels, had de nederige Tabernakel voortdurend de Goddelijke Aanwezigheid in zich. De Seforno concludeert dat dit ons leert dat de heiligheid van een gebouw niet wordt bepaald door zijn materiële waarde en schoonheid, maar eerder door het spirituele niveau van de mensen die betrokken waren bij de bouw ervan.[3] In dezelfde geest leert de uitleg van de Seforno ons dat de Tora-visie de ware waarde aan fysieke objecten of gebouwen op een heel andere manier dan die van de seculiere visie toekent. In de seculiere wereld bepaalt de uiterlijke schoonheid of materiële waarde van het item de ‘waarde’. Daarentegen besteedt de Tora weinig aandacht aan de uiterlijke kwaliteiten, maar de innerlijke spiritualiteit die in het item werd geïnvesteerd bepaalt de ware waarde ervan. De Tabernakel kan dus fysiek veel minder indrukwekkend zijn geweest dan de twee Tempels, maar de ware waarde ervan was veel groter vanwege de intenties van de mensen die het maakten.

Dit concept wordt gedemonstreerd door een interessant incident met betrekking tot de Tabernakel dat wordt beschreven in Parasha Terumah en Vayakhel. God instrueert Mozes om het volk te vertellen dat ze de grondstoffen moeten brengen die nodig zijn om de Misjkan te bouwen. “Dit is het deel dat u van hen zult nemen: goud, zilver en koper; en turquoise, paarse en scharlakenrode wol; linnen en geitenhaar; roodgeverfde ramhuiden; tachash huiden, acacia hout; olie voor verlichting, specerijen voor de zalfolie en de aromatische wierook; shoham stenen en stenen voor de instellingen, voor de Efod en het Borstschild.”[4] De Ohr HaChaim HaKadosh wijst erop dat de volgorde van de genoemde materialen moeilijk te begrijpen is; de shohamstenen en de ‘stenen van de zettingen’ zijn de meest waardevolle van alle items in de lijst, daarom hadden ze logischerwijs als eerste genoemd moeten worden.

Hij biedt een antwoord op basis van de Gemara die ons vertelt hoe de mensen aan de shohamstenen kwamen. De Gemara zegt dat er een groot wonder plaatsvond en dat shohamstenen samen met het manna naar beneden kwamen.[5] De Prinsen schonken deze edelstenen vervolgens aan de Misjkan. Men zou kunnen denken dat de bovennatuurlijke manier waarop de stenen naar beneden kwamen alleen maar zou bijdragen aan hun inherente materiële waarde. De Ohr HaChaim schrijft echter precies het tegenovergestelde; omdat de stenen zonder enige inspanning of financieel verlies kwamen, worden ze aan het einde van de lijst met items geplaatst die aan de Misjkan zijn geschonken.[6] Toen de mensen alle andere voorwerpen gaven, namen ze afscheid van hun eigendom en ondergingen ze gewillig financieel verlies omwille van het doen van Gods wil. Dit plaatst die voorwerpen, waaronder zulk alledaags materiaal als geitenhaar, op een hoger niveau dan de kostbare shohamstenen die door een wonder kwamen. Dit toont op grimmige wijze het waardesysteem van de Tora met betrekking tot de fysieke wereld. Externe factoren zijn volledig onderworpen aan het interne – de intenties die in het item zijn gegaan, bepalen de werkelijke waarde ervan.

Dit concept heeft toepassingen in het Joodse recht. De autoriteiten bespreken de status van een esrog die is gekneusd door overmatig gebruik. De Chatam Sofer oordeelt dat als de kneuzingen tot stand kwamen omdat veel mensen de Mitswa vervulden om de vier soorten met deze esrog te schudden, het koosjer is. Hij schrijft verder dat het feit dat de kneuzingen door Mitswot tot stand kwamen, de status ervan juist versterkt, en op zichzelf een soort hiddur (verfraaiing) vormt.[7] Deze Chatam Sofer leert ons een zeer veelzeggende les. Wanneer een persoon een mooie, schone esrog zou zien die nog nooit was gebruikt, en deze vergelijkt met een gekneusde esrog die door honderden mensen was geschud, zou hij de schone esrog als van grotere waarde beschouwen. De Tora richt zich echter veel meer op de interne waarde achter de esrog, dan op de uiterlijke schoonheid ervan. In dezelfde geest werd de hoed van een man ooit erg vies op Sjabbat. Hij vroeg de Chazon Ish of hij het op Sjabbat kon schoonmaken. De Chazon Ish antwoordde dat het verboden was, maar de man betoogde dat het niet Kavod Sjabbat (de eer van Sjabbat) is om met een vuile hoed rond te lopen. De Chazon Ish antwoordde dat, aangezien de hoed vuil wordt achtergelaten ter ere van de heiligheid van Sjabbat, in dit geval het vies houden ervan betekent dat de Sjabbat zelf wordt geëerd. Nogmaals, men kan denken dat een vuile hoed Sjabbat vermindert vanwege zijn onverzorgde uiterlijk, maar in werkelijkheid kunnen de intenties die achter het vuil liggen dit veranderen in een manier om de eer van de Sjabbat enorm te vergroten!

We hebben gezien hoe het criterium van de Tora voor het definiëren van de ware ‘waarde’ van de fysieke wereld heel anders is dan dat van de westerse wereld. De inspanning, kavannah (intenties) en spirituele inbreng in dat item zijn de ware determinanten van zijn objectieve waarde, in tegenstelling tot zijn oppervlakkige uiterlijk of monetaire waarde. Er is een zeer natuurlijke neiging voor een persoon om zich te concentreren op de uiterlijkheden van de fysieke wereld, waaronder de grootte van een huis, het uiterlijk van een auto, enzovoort. De bovenstaande bronnen leren ons dat de Tora zich richt op het innerlijke.

Rabbijn Yehonasan Gefen

Besef dat een vertaling altijd een vertaling is, daarom ook de verwijzing naar het origineel The Guiding Light Parshat Pekudei: The Value of the Tabernacle (aish.com)

Opmerkingen van Angelique; wat leren wij hiervan?

Een gift van arme van een euro is meer waard zijn dan 1000 euro van een rijke die het nauwelijks mist.

Een gebed met 3 woorden: “Dank U wel”, kan vele vele male meer waard zijn als de eerste met eerbied, respect en een diepe concentratie wordt gezegd dan iemand die een half uur aan het bidden is in een sneltreinvaart terwijl zijn hoofd al bij de werkzaamheden van de dag is.

Een Noachied zijn die zich volledig stort op zijn 7 Mitswot is kostbaarder dan iemand die al zijn Mitswot doet uit gewoonte of omdat de gemeenschap er sociale controle op uitvoert.*

( Waarbij opgemerkt dat dit alleen een vergelijking is en net zo goed anders om geldt)


[1] Sjemot, 38:21-22.

[2] Zie Rashi, Shemot, 38:21, die de term ‘De Tabernakel van getuigenis’ anders uitlegt dan de Seforno.

[3] Seforno, Shemot, 88:21,24.

[4] Terumah, 25:3-7. Vayakhel, 35:5-9.

[5]  Yoma, 75a.

[6] Ohr HaChaim, Terumah, 25:7, dh: Od nireh.

[7] Chiddushei Chasam Sofer, Sukkah, 36a.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *