Home » Acharei Mot – Vooruit gaan

Acharei Mot – Vooruit gaan

Vooruit gaan

Acharei Mot (Leviticus 16-18)

Door Rabbi Yehonasan Gefen

Te midden van de uiteenzetting van de verschillende mitswot in de Parasja, spoort de Tora ons aan met betrekking tot onze naleving van de Tora in algemene zin: “Voer Mijn wetten uit en bewaak Mijn inzettingen, om daarin te gaan, Ik ben God.”[1] De betekenis van de woorden “om daarin te gaan” is onduidelijk; wat voegt dit toe aan het gebod om de Tora na te leven? De Ktav Sofer antwoordt door uit te leggen hoe de Bijbel het woord gebruikt met de tegenovergestelde betekenis van ‘gaan’, dat wil zeggen, omed , wat “staan” ​​betekent. Het wordt gebruikt in relatie tot engelen, zoals gezegd wordt in het boek van de profeet, Jesaja: “De Serafim [een soort engel] staan tegenover hem.”[2] Engelen ‘staan’ in de zin dat ze “stationair” op hun spirituele niveau blijven, ze hebben geen verbinding met het concept ‘groei’. Daarom vertelt de Tora ons dat wij daarintegen in een staat van ‘gaan’ zijn, wat inhoudt dat we er voortdurend naar streven om ons spirituele niveau te verbeteren en dat we moeten voorkomen om stil te blijven staan.[3]

De Ktav Sofer maakt een soortgelijk punt in Bechukotai over het openingsvers: “Als je in Mijn inzettingen wilt gaan en Mijn mitswot wilt houden en je ze zult  doen.” [4] De Ktav Sofer schrijft: “Het is niet voldoende dat je de mitswot elke dag op hetzelfde niveau uitvoert als de voorgaande dagen, maar je moet constant van het ene niveau naar een hoger niveau gaan en de mitswa op een betere en meer prijzenswaardige manier uitvoeren.” [5]

We zien aan de Ktav Sofer dat men, naast het houden van de mitswot, er voortdurend naar moet streven vooruit te gaan in zijn Goddelijke Dienst en dat ‘stilstaan’ geen optie is. Verder lijkt het erop dat er met betrekking tot de mens niet zoiets bestaat als ‘op hetzelfde spirituele niveau blijven’, maar dat men ofwel vooruit of achteruit gaat en dat alleen engelen in staat zijn stationair te blijven zonder achteruit te gaan.

Dit idee komt tot uitdrukking in een homiletische uitleg van het verbod om trappen op te gaan bij het naderen van het Altaar, wanneer men nadert om de Goddelijke Dienst te verrichten. In plaats van trappen moesten ze een helling naar het altaar bouwen. Waarom moet men een helling op in plaats van een trap? Bij het beklimmen van een steile helling moet men zich naar voren bewegen om stil te blijven staan. Als hij probeert stil te staan, zal de steilheid van de helling ervoor zorgen dat hij daadwerkelijk achteruit gaat. Hij zal alleen op dezelfde plaats blijven met een bepaalde hoeveelheid voorwaartse druk en hij zal alleen vooruitgaan met een grotere vertoning van voorwaartse beweging. Wanneer iemand daarentegen een trap oploopt, is hij in staat stil te blijven staan zonder angst om terug te vallen, aangezien het oppervlak waarop hij staat vlak is. Dit leert ons dat wanneer men de Goddelijke Dienst nadert, men zich actief moet inspannen om stabiel te blijven en om vooruit te gaan moet hij zich inspannen.[6] De moderne analogie hiervan is dat men probeert een roltrap op te gaan die naar beneden beweegt.

Deze verklaring roept echter een nieuwe vraag op – waarom is het zo dat wanneer een persoon geen actieve inspanning levert, hij daadwerkelijk achteruit gaat in plaats van stil te blijven staan? De reden is dat de jetzer hara (negatieve neiging) zich constant inspant om iemand naar beneden te halen van zijn spirituele niveau. Daarom zal de persoon als hij geen enkele actieve poging doet om vooruit te gaan, onvermijdelijk achteruit gaan, aangezien de jetzer hara bezig zal zijn hem terug te duwen en er geen tegenwerkende kracht zal zijn om hem stabiel te houden.

Men kan zich nog steeds afvragen waarom het lijkt dat sommige mensen op hetzelfde niveau blijven en geen spirituele achteruitgang laten zien ondanks dat ze geen actieve inspanning lijken te leveren om te groeien. Het lijkt erop dat er twee aspecten zijn aan de achteruitgang die plaatsvindt. Een daarvan is dat op een heel subtiel niveau de jetzer hara een persoon geleidelijk verzwakt in zijn Goddelijke Dienst. Dit is zo’n subtiel proces dat het voor de toeschouwers niet duidelijk is en normaal gesproken is zelfs de persoon zelf zich niet bewust van zijn geleidelijke achteruitgang! De tweede manier waarop hij ten onder gaat, is dat hoe langer hij niet werkt aan gebieden waar hij tekortschiet, hij steeds dieper in de valkuil van gewoonte valt. Hoe meer iemand doorgaat met zijn slechte gewoonten, hoe moeilijker het wordt om zich los te maken van zijn foutieve gedrag. Alleen door grote inspanning zal hij in staat zijn zijn slechte gewoonten te doorbreken.

We hebben gezien hoe fundamenteel actieve groei is voor de Goddelijke Dienstbaarheid en hoe er geen optie is om stil te staan ​​in je spiritualiteit. Deze les is zeer relevant omdat we ernaar streven om de lessen te leren van het recente Pesachfeest; Pesach was de tijd waarin de kracht van vernieuwing op het hoogste niveau was. Een persoon die vastbesloten is zich sterk in te spannen om te groeien in zijn Goddelijke Dienst, zal een geweldige Siyata dishmaya ontvangen (Hemelse hulp) op Pesach. Zelfs nadat Pesach voorbij is, bevinden we ons nog steeds in de periode van Sefirat HaOmer (het tellen van de Omer), een tijd die bijzonder krachtig is om aan iemands karaktereigenschappen te werken ter voorbereiding op het ontvangen van de Tora. Het is duidelijk dat het belangrijk is dat iemand niet te veel op zich neemt in zijn pogingen om te groeien, misschien is het beter om een ​​gebied te nemen waar men voelt dat hij in een sleur zit, en een stevige inspanning moet leveren om op dat gebied te groeien , of het nu gaat om het houden van de Sabbat, het leren van de Tora, gebed, het bewaken van zijn spraak, het huwelijk, het ouderschap of een aantal andere gebieden. Als iemand zich echt inzet om te groeien, dan zullen de lessen van Pesach hem zeker in staat stellen om te slagen.

Rabbijn Yehonasan Gefen

Besef dat een vertaling altijd een vertaling is, daarom ook de verwijzing naar het origineel: https://aish.com/149415205/

Opmerkingen van Angelique; wat leren wij hiervan?

Beginnen en doorgroeien het klinkt vanzelfsprekend toch kan het gebeuren dat iemand heel enthousiast en vol overgave begint aan een nieuw leven als Noachied. Alles is nieuw, interessant, boeiend en spannend totdat er een jaar voorbij is gegaan en het nieuwtje er een beetje vanaf gaat. Datgene wat men heeft opgebouwd wordt een keer vergeten, of “ach een keertje dit of dat doen moet toch ook voor een keertje kunnen en mens moet ook niet te fanatiek worden”. Op deze manier heeft men eigenlijk niet door dat men langzaam achteruit gaat in plaats van er steeds een schepje bij te doen. Een paar minuten langer studeren, een bracha extra op je nemen, toch bewust vaker tsadeka geven enz. Het spreekwoord zegt; het is hollen of stilstaan. Dat spreekwoord zou moeten zijn we gaan vooruit of we gaan achteruit…..


[1] Vajikra, 18:4 .

[2] Yeshaya, 6:2.>

[3] Ksav Sofer Al HaTorah, Vayikra, 18:4 en Tallelei Oros in de naam van de Ksav Sofer, Vayikra, 18:4 .

[4] Vayikra, 26:3 .

[5] 5. Ksav Sofer, Vayikra, 26:3 . Zie daar, waar hij de houding tegenover constant spiritueel streven contrasteert met de vereiste benadering van fysieke verworvenheden. In dat opzicht benadrukt hij de eigenschap van hisstapkus, blij zijn met wat je hebt. Zie mijn essay over Parshas Pekudei, ‘Bitachon en Hishtadlus’ waar we deze tweedeling uitvoerig analyseren.

[6]  Gehoord van Rav Motty Berger, shlit’a , hoofddocent in Yeshivas Aish HaTorah.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *