Home » Emor – Ons deel in Olam Haba

Emor – Ons deel in Olam Haba

Ons deel in Olam Haba

Parasja Emor  (Leviticus 21-24)

Door Rabbi Yehonasan Gefen

Het Tora-gedeelte eindigt met het schrijnende verhaal van de zoon van een Egyptische man en Joodse vrouw die de ernstige zonde van godslastering beging en als gevolg daarvan zwaar werd gestraft. De episode begint met de woorden: “de zoon van een Israëlitische vrouw ging uit – en hij was de zoon van een Egyptische man – onder de kinderen van Israël …”[1] De Rabbijnse bronnen en de commentaren wijzen erop dat de betekenis van de woorden “hij ging uit” onduidelijk is – waar ging hij vandaan? Rashi, die de Medrash citeert, legt uit dat de Tora ons vertelt dat “hij uit zijn Olam (wereld) ging”.[2] De commentaren leggen uit dat dit betekent dat hij zijn deel in Olam Haba heeft opgegeven door de vreselijke zonde die hij heeft begaan. De Taz merkt in zijn commentaar op de Tora verder het taalgebruik op, dat hij “zijn wereld” verliet in tegenstelling tot “de wereld”. De Taz legt uit: “De verklaring lijkt te zijn dat, vanaf de dag van zijn geboorte, elk lid van het Joodse volk verbonden is met de Hoge Wereld [d.w.z. Olam Haba] in een heilige plaats. Maar als hij zondigt, verlaat hij die plaats waar hij verbonden is; daarom staat er dat hij ‘naar buiten is gegaan’.”[3]

Deze uitleg geeft ons een belangrijk begrip van de Tora-visie met betrekking tot beloning en straf in Olam Haba. Men zou kunnen denken dat een persoon in deze wereld geen intrinsieke verbinding heeft met Olam Haba, maar wanneer hij sterft en opgaat, zal hij prijzen ontvangen voor de Mitswot die hij deed, en dingen verliezen voor de zonden die hij deed. De beloning die ‘Olam Haba‘ is, wordt gezien als zijn prijs, vergelijkbaar met de manier waarop een persoon zijn beloning verzamelt na het winnen van een loterij. De Taz laat ons zien dat dat niet het geval is – het is eerder zo dat vanaf zijn geboorte een Jood intrinsiek verbonden is met Olam Haba – wat is de oorzaak van deze verbinding? Het is duidelijk zijn ziel; door het uitvoeren van Mitzvot voedt hij zijn ziel en ‘verbetert’ daardoor de aard van de Olam Haba die hij zal ‘ontvangen’. Door te zondigen beschadigt hij zijn ziel en verliest daardoor bepaalde elementen van zijn Olam Haba – en zonder teshuva (berouw) moet hij naar Gehinnom gaan om zich te reinigen van de onzuiverheden op zijn ziel vanwege de zonde.[4] De zonde van de mekalel was zo groot dat hij zijn Olam Haba verloor. Zo zien we van hieruit dat beloning en straf in de volgende wereld niet willekeurig is, maar dat een persoon zijn eigen Olam Haba of het gebrek daaraan creëert.[5]

Er is een tweede belangrijke les die we uit de Taz kunnen trekken: sommige religies geloven dat mensen intrinsiek slecht zijn vanwege de zonde van Adam en dat men uit die staat van inherent kwaad moet komen. We zien aan de Taz dat precies het tegenovergestelde waar is. We zijn intrinsiek goed en heilig en verbonden met Olam Haba – het is alleen “maar” onze taak om niet onze inherente verbinding te verliezen, maar ook om voor ons deel goed te zorgen.

Dit concept wordt naar buiten gebracht door de Misjna in het Sanhedrin, waarin staat: “Elke Jood heeft een deel in de komende wereld…”[6] De commentaren vragen zich af of het waar is dat elke Jood Olam Haba krijgt? Inderdaad, de Misjna somt later de mensen op die geen Olam Haba krijgen! Het antwoord is dat de Misjna niet zegt dat elke persoon uiteindelijk Olam Haba ontvangt, maar dat ze allemaal een portie hebben, maar het is aan hen om dat deel te behouden en te ontwikkelen. Als ze hun baan verwaarlozen, lopen ze het risico die te verliezen, zoals het geval was met de mensen die in de Misjna werden genoemd. Een analogie van het bezitten van land kan worden gebruikt om de Misjna verder te begrijpen. Het hier beschreven gedeelte is als een stuk grond; elke persoon erft een kaal stuk land. Het is aan hem om het perceel te bewerken en te beplanten, zodat er gezonde gewassen in groeien. Als iemand aan het einde van zijn pacht het gewas goed heeft ontwikkeld, dan kan hij de vruchten plukken van zijn harde werken. Als hij echter het gewas verwaarloost, blijft het onontwikkeld en als hij het slecht behandeld, bijvoorbeeld door er gevaarlijke chemicaliën in te gooien, zal hij het beschadigen. Aan het einde van zijn pacht zal hij achterblijven met een nutteloos stuk land. Zo worden we ook allemaal geboren met een verheven ziel die onze verbinding is met Olam Haba. Als iemand de Tora en Mitswot in acht neemt, dan zullen we onze ziel verheffen, zodat onze ziel na onze dood geschikte vaten zal zijn om te genieten van de spirituele wonderen van Olam Haba. Als hij echter zijn ziel verwaarloost en beschadigt, dan zullen ze zo zwaar bevlekt zijn dat ze niet in staat zullen zijn om van Olam Haba te profiteren en die ziel zal het pijnlijke proces van Gehinnom moeten ondergaan om Olam Haba te kunnen binnengaan.[7]

We hebben gezien hoe elke Jood een inherente band heeft met Olam Haba en dat de manier waarop we ons in deze wereld gedragen de staat van ons deel in de Volgende Wereld bepaalt. Er is een zeer belangrijke praktische les die uit deze kennis moet worden afgeleid. Iemands yetser hara (negatieve neiging) vertelt hem soms dat zelfs als hij verkeerd handelt, God zijn overtredingen gemakkelijk zal vergeven en hij de negatieve gevolgen zal vermijden, zonder teshuva te hoeven doen. Dit begrip is echter totaal onjuist – wanneer een persoon willens en wetens zondigt, beschadigt hij automatisch zijn ziel – het gaat er niet om dat God hem ‘laat gaan of niet’, maar God heeft een systeem opgezet waarbij er natuurlijke geestelijke gevolgen zijn voor iemands acties. Dus, net zoals men in de fysieke wereld begrijpt dat bepaalde handelingen, zoals over het dak van een gebouw lopen grote schade veroorzaakt, geldt hetzelfde in de spirituele wereld. Alleen teshuva kan de schade herstellen die door de zonde is aangericht.[8] Mogen we het allemaal verdienen om ons deel van Olam Haba op de meest optimale manier te verzorgen.

Rabbijn Yehonasan Gefen

Besef dat een vertaling altijd een vertaling is, daarom ook de verwijzing naar het origineel Our Portion in Olam Haba – aish.com

Opmerking van Angelique;  wat leren wij hiervan?

Na het lezen van het stuk heb ik even moeten nadenken of dit stuk wel geschikt is voor Bnei Noach omdat de Joodse situatie anders is dan die voor Bnei Noach. Maar bedacht dat het juist ook een mooi aanknopingspunt kan zijn om op de verschillen te wijzen.

Bij Sinaï hebben alle Joodse zielen, allen die voorheen bestonden en allen die daarna geboren zouden worden de Tora op zich genomen. Daarmee hebben alle Joden per definitie een plek in Olam Haba.

Dit geldt echter niet automatisch voor Bnei Noach. Er zijn eigenlijk twee groepen Bnei Noach. Een groep die de 7 Noachidische Wetten naleeft omdat ze logisch zijn. Vanuit het eigen intellect kan men bedenken dat moorden niet goed is voor de maatschappij en dat stelen niet wenselijk is voor een goede verstandhouding onderling enz. Voor deze mensen geldt dat dat gene wat ze goed doen, de mitwa van bijvoorbeeld Tsedeka ( geld of tijd aan goede doelen/mensen geven), beloont wordt met de mitswa zelf. Mijn krijgt een goed gevoel als met Tsedeka geeft men ervaart het voordeel dat de maatschappij daarvan heeft. Men ontvangt Tsedaka terug als men dat nodig heeft enz. De beloning is dus in dit leven in overstemming met datgene wat men heeft gedaan. Zij worden de wijzen van de wereld genoemd.

De andere groep Bnei Noach doen de 7 Noachidische Wetten omdat G-d ze heeft herhaald en bevolen door middel van Mozes op de berg Sinaï. Het verbod op stelen wordt niet gedaan omdat dat moreel goed is, maar omdat G-d dat heeft verboden ( omdat het moreel goed is). Doordat je handelen, de mitswot, gebonden zijn aan het willen doen van G-ds wil maak je het voor je ziel mogelijk om in de Olam Haba G-ds licht – op een bepaalde wijze – te ontvangen en daar te zijn.


[1] Vayikra, 24:10.

[2] Rashi, Vayikra, 24:10, in de naam van Vayikra Rabbah, Emor, 32:3.

[3]. Divrei David, geciteerd in Tallelei Oros, 24:10.

[4] Het onderwerp van de aard van Gehinnom en het doel ervan valt buiten het bestek van dit essay. Het volstaat te zeggen dat de niet-Joodse opvatting van ‘de hel’ geen gelijkenis vertoont met de afbeelding van Gehinnom in de Thora. Kortom, ondanks zijn duidelijk onaangename aard, heeft Gehinnom een heilzame functie omdat het een persoon reinigt in de mate dat hij nu in staat is om binnen te gaan en te profiteren van Olam Haba.

[5] De Eitz Yosef op de Medrash merkt op dat het duidelijk is dat de Mekalel geen teshuva deed voor zijn zonde, uit het feit dat de Medrash zegt dat hij zijn Olam Haba verloor.

[6] Sanhedrin, Perek Chelek, 90a. Het is ook de Misjna die aan het begin van elk hoofdstuk van Pirkei Avos te vinden is.

[7] De Chofetz Chaim gebruikte een zeer vergelijkbare analogie om deze Misjna uit te leggen. Het is te vinden in ‘Mishel Avos’ Volume 1, p.6.

[8] 8. Er moet verder op worden gewezen dat de teshuva van iemand die zondigt met de bedoeling teshuva na de zonde te doen, niet wordt geaccepteerd. Alleen als hij uit zwakheid zondigt en dan oprecht spijt heeft van zijn daden, wordt hem vergeven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.