Home » Ki Titzei – De Koudheid van Amelek

Ki Titzei – De Koudheid van Amelek

(Devarim 21:10-25:19)

 

Door Rabbi Yehonasan Gefen

Devarim, 25:17 : Herinner je wat Amalek je onderweg aandeed, toen je Egypte verliet. Dat hij u onderweg tegenkwam en onder u alle zwakken in uw achterhoede doodde, toen u zwak en uitgeput was en hij God niet vreesde.

Rashi, 25:18: sv. Dat hij je onderweg tegenkwam: [Het woord ‘ korcha ‘] drukt toeval uit… Als alternatief drukt [het woord ‘ korcha ‘] koude en hitte uit – Amalek verkoelde je  en koelde je af van je kokende hitte. Want de volken waren bang om met u te strijden en deze [Amalek] kwam en begon te strijden, en toonde een plaats voor anderen. Dit is te vergelijken met een kokend heet bad waarin niemand kan afdalen. Een schurk kwam, sprong en ging erin. Ook al was hij gebroeid, koelde hij het voor anderen af.

De Parsha eindigt met de vermaning om Amalek’s gruwelijke daad van het aanvallen van het Joodse volk in de woestijn te gedenken, en om zich in te zetten om deze kwaadaardige natie uit te roeien. De Tora benadrukt dat Amalek de mensen ‘overkwam’. Rashi geeft een aantal verklaringen waar dit naar verwijst: een daarvan is dat het toeval uitdrukt – dat Amalek het deed voorkomen alsof ze de mensen toevallig tegenkwamen, en niet door enige Voorzienigheid. Een andere interpretatie is dat het woord ‘ korcha ‘ verwijst naar het woord ‘ kor‘ wat koud betekent. Dit verwijst naar de analogie van hoe Amalek de angst van de naties voor het Joodse volk bekoelde.[1] Alle anderen waren bang voor de natie als gevolg van de grote wonderen van de Exodus, maar de Amalekieten waren totaal onbewogen en vielen aan, ongeacht de rampzalige gevolgen. Een aantal vragen rijzen: Waarom reageerde Amalek zo anders dan de andere naties? Is er daarnaast nog enig verband tussen de redenen die Rashi aanvoert, aangezien ze voortkomen uit een definitie van hetzelfde woord; korcha .

Het lijkt erop dat de Amalekieten een totaal andere kijk dan de rest van de wereld hadden. De niet-Joden vereerden valse goden, maar ze geloofden in het idee van een macht die een natie leidde. Dienovereenkomstig geloofden ze in de ‘God van de Joden’ en schonken ze aandacht aan Zijn bescherming van het Joodse volk. Amalek daarentegen lijkt atheïst te zijn geweest. Zij geloofden niet in kracht, daarom schreven ze alle wonderbaarlijke gebeurtenissen van de Exodus toe aan het toeval. Dienovereenkomstig konden ze alle tekens negeren en in de kokende badkuip springen.

Dit begrip toont het verband aan tussen de twee interpretaties van Rashi. Amalek beschouwde alles als een resultaat van toeval, daarom schreven ze zelfs de grootste wonderen toe aan het toeval. Bijgevolg bleven ze totaal koud en onbewogen door alle gebeurtenissen van de Exodus. Hun schaamteloze minachting voor de grote wonderen die plaatsvonden, diende ook om de angst van de andere naties te verzwakken door enige twijfel te zaaien over de vraag of deze gebeurtenissen louter het resultaat waren van toeval.

We hebben gezien dat de wortel van Amaleks kwaad hun geloof in de willekeur van gebeurtenissen en de daarmee gepaard gaande totale afwijzing van een Hoger Wezen was. Dit zorgde ervoor dat ze ‘koud’ reageerden op alles wat ze zagen, en zelfs dat andere naties hun angst voor het Joodse volk ‘afkoelden’. Deze houding is uniek voor Amalek onder alle naties, en vormt in zekere zin een groter gevaar voor het naleven van de Torah dan de afgodische overtuigingen van de andere naties. Het zorgt ervoor dat ‘gelovige’ Joden hun verwondering over de wonderen die hen omringen verliezen, en ze zelfs onbewust toeschrijven aan het toeval. Bovendien voorkomt het dat iemand leert van gebeurtenissen om hem heen, waardoor hij immuun wordt voor de lessen die God hem stuurt. In deze geest, spreekt Rav Sternbuch over een persoon die het verdient om de redding van God en Zijn wonderen te zien, maar toch blind blijft voor wat er om hem heen gebeurt, en niet opgewonden raakt om HaShem te vrezen. Rav Sternbuch schrijft dat zo iemand moet weten dat hij omgeven is door onreinheid en onder invloed is van Amalek.[2] Als we de Hoge Heilige Dagen naderen, is het essentieel om deze les ter harte te nemen; voordat een persoon teshuva kan doen en een plan voor het jaar kan maken, moet hij zich bewust zijn van Gods constante betrokkenheid in zijn leven.

Besef dat een vertaling altijd een vertaling is, daarom ook de verwijzing naar het origineel: https://aish.com/273559531/

Rabbi Yehonasan Gefen

Opmerkingen van Angelique; wat leren wij hiervan?

Als je in toeval gelooft i.p.v in G-d dan zul je nooit het goede zien wat G-d aan een mens geeft. Als je in toeval gelooft i.p.v. in G-d dan ervaar je negatieve dingen niet als een waarschuwing of iets waar je iets van moet leren. Dat maakt ook dat er geen beloning en straf is voor goede dan wel slechte daden. Het leidt tot een eigengereide, egoïstische samenleving, een ieder-voor-zich-cultuur. Het leidt tot een ontwrichtige samenleving die je niet kunt corrigeren.


[1] Zie Rashi voor een derde toespeling.

[2] Taam v’Daas, Devarim, Ki Teitzei, 25:18, p.163.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.